
‘Integreren doen we samen’
Zorg en WelzijnSint-Oedenrode - De komst van grote groepen vluchtelingen bracht Nederland in beweging. Mensen zamelen hulpgoederen in en helpen bij opvangcentra of organiseren juist protestacties en uiten hun ongenoegen. Standpunten in de samenleving verscherpen. Dat merken we ook in ons eigen dorp. Maar wat is er nou nodig voor een succesvolle integratie in de samenleving? Leanne Kanters (35) uit Sint-Oedenrode (vrijwilliger in het vluchtelingenwerk) gaat er over in gesprek met DeMooiRooiKrant en vertelt haar visie hierop. Maar alvorens zij haar verhaal doet, laten we eerst eens definiëren wat er onder een vluchteling nou precies wordt verstaan? Iemand die in zijn thuisland ‘gegronde vrees’ heeft voor vervolging op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde etnische of sociale groep, en die in het eigen land geen bescherming krijgt. Een definitie die bepaald is in het Vluchtelingenverdrag van de Verenigde Naties.
Door: Caroline van der Linden
Dat is nogal wat. Tijdens het gesprek met Leanne komt dan ook al snel de vraag boven rijzen: Wat zou jij doen als je niet veilig bent in je eigen land? Zou je het dan normaal vinden dat een ander land jou opvangt? Heel veel landen vinden van wel, want het Vluchtelingenverdrag dat oorspronkelijk bedoeld was voor mensen die waren gevlucht door gebeurtenissen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, is inmiddels ondertekend door meer dan 150 landen, waaronder ook Nederland dat zich in 1956 aansloot.
Dat het een belangrijke maatschappelijke kwestie is waar veel burgers mee worstelen, blijkt uit de stroom aan berichtgeving en opinies over vluchtelingen in de (sociale) media. Er bestaan duidelijk zorgen over de komst en opvang van grote aantallen vluchtelingen en over de grote culturele verschillen. En ieder mens heeft recht op zijn eigen gevoel en mening, maar hebben we wel een reëel beeld van die vluchteling die misschien wel bij ons om de hoek wordt opgevangen? Leanne vertelt over haar ervaringen. Om een beeld te schetsen wie ze is. Leanne is geboren in Nijnsel, woonde daar tot haar vijftiende en verhuisde naar Olland. “Ik heb de opleiding facilitymanagement gedaan, geheel iets anders dan waar ik terecht ben gekomen, want al vrij snel ben ik therapeutische paardrijlessen gaan geven aan kinderen met gedragsproblematiek. Daarnaast wilde ik iets als vrijwilliger kunnen betekenen en kwam ik in contact met Lieke van Casteren. Zij maakte me enthousiast voor ‘Because we carry’, een initiatief bedoeld om moeders op de vlucht te ondersteunen. Als jonge moeder sprak het me meteen aan, met het besef dat dit iedereen kan overkomen. Ik denk altijd maar zo, stel dat er oorlog uitbreekt of het is economisch zo slecht dat ik niet meer voor mijn kinderen zou kunnen zorgen, dan zou ik het ook fijn vinden als iemand me helpt.”
“Geïnspireerd door een motto van ‘Because we carry’ – Je verliest je smaak niet als je vlucht - heb ik een tijdje terug bij een opvanglocatie in Boxtel een winkel opgezet met tweedehands kleding voor vluchtelingen. Een woonhuis omgebouwd tot winkel met gekregen spulletjes. Het werd door vluchtelingen uit alle windstreken, zelf gedraaid. Hun eerste kennismaking met vrijwilligerswerk in Nederland. Het ging hierbij meer om het sociale concept dan de kleding en dat werkte. Mensen wilden heel graag iets terugdoen voor hun opvang, werkten enorm hard en waren erg dankbaar. Daar ben ik tot het besef gekomen: deze mensen moeten aan het werk. Dat levert zoveel op. Er werden allerlei connecties gelegd met de buurt, mensen konden iets terugdoen, waren er even uit, voelden zich nuttig, hoorden erbij en leerden ondertussen de taal en gebruiken van ons land. In beginsel was de buurt natuurlijk sceptisch toen er vluchtelingen kwamen met zo’n winkel. Maar de buurman kwam al snel zowat elke dag koffie drinken en als we vergaten om een lamp uit te doen, werden we netjes door hem gebeld. En ook al sprak hij geen Engels, hij vond het interessant de vluchtelingen te leren kennen. Waar kwamen ze eigenlijk vandaan en hoe is het daar?”
“Ik heb daar ook Serap leren kennen, een Turkse alleenreizende vrouw, politiek vluchteling met twee dochters. Zij heeft met mij vanaf dag één de winkel opgezet. Ze sorteerde de kleding en nam de planning en aansturing van de vrijwilligers op zich. Een van haar dochters houdt van taekwondo en ik heb haar aangemeld voor een proefles. Het sport- en cultuurfonds heb ik benaderd of zij iets konden bijdragen aan contributie. Dat was geen enkel probleem, want alle kinderen moeten kunnen sporten. Inmiddels krijgt ze training van een Nederlandse bondscoach, hoe tof! We hebben zo’n goed contact opgebouwd. Van vluchteling werd ze mijn collega en is nu zelfs mijn vriendin. Wat ik ervaren heb, is dat als je sceptisch bent ten opzichte van vluchtelingen en je komt met ze in contact, je er dan vaak anders tegenaan gaat kijken. Als je iemand persoonlijk leert kennen, is het niet meer zo gemakkelijk om te roepen ‘jullie horen hier niet, je moet terug naar je thuisland.’ Het zijn natuurlijk ook gewoon mensen, net als jij en ik.”
“De discussie of ze hier mogen zijn of niet laat ik liever aan anderen over, maar ik vind het wel belangrijk dat we de mensen die er zijn zo goed mogelijk helpen integreren, zodat wij als land en gemeenschap er profijt in plaats van last van hebben. Een voorbeeld: zodra vluchtelingen een half jaar in Nederland zijn, mogen ze 24 weken per jaar werken, maar daarvoor moet een behoorlijke papierwinkel ingevuld worden, zoals een BSN-nummer aanvragen, een rekening openen enz. Vluchtelingen kunnen dit niet zelf als niemand dit hen vertelt en het COA speelt hier geen actieve rol in. Een vluchteling zit zo al snel één tot twee jaar in een opvanglocatie zonder enige vooruitzichten. Ik ben van mening dat hoe langer wij ze daar laten zitten, hoe moeilijker het wordt. Ik snap dat als er in je buurt een grote groep vluchtelingen komt, je daar niet blij van wordt, maar stel dat we ze helpen aan een baan? Want die zijn er genoeg, hoeveel last hebben we dan nog echt? Maar door ons systeem laten we naar mijn idee zelf de motivatie bij deze mensen wegglippen”, zegt Leanne overtuigd.
“Ik vind het begrijpelijk vanuit het COA dat zij geen begeleiding bieden, want dat is niet hun taak. Zij hebben immers al genoeg op hun bordje met de opvang. Maar stel dat we dat goed zouden regelen, dan is mijn ervaring dat een vluchteling wel degelijk ingezet kan worden en dit ook heel graag wil. Vierentwintig weken is natuurlijk niet zo heel lang. Maar toch, heel veel seizoenswerk zou passend zijn en in de zorg of verschillende andere sectoren is vierentwintig weken ook echt de moeite waard. Ik denk dat er heel veel bedrijven baat bij hebben als er personeel komt. Een win-win situatie als je het mij vraagt. Nu houden we deze mensen weg van de maatschappij. Uiteindelijk hebben ze een status en een huis, moeten ze het zelf op gaan lossen en worden dan ook nog vaak verplaats naar een totaal andere gemeente. Daar trekken ze een uitkering en lukt het vaak niet te integreren. Als je namelijk het land en de buurt niet kent, hoe ga je dan aan het werk? Hoe weet je wat “normaal” is in Nederland als je alleen je opvanglocatie van binnen kent?”
“Meierijstad heeft nu aangegeven in overleg met het COA, hier mensen op te vangen, die als ze statushouder zijn, ook aan deze regio gekoppeld kunnen worden. Zo hebben ook ondernemers er baat bij deze mensen te laten integreren en te koppelen aan werk. Een mooie stap dus. Laten we opstaan en helpen, wat zou dat mooi zijn, want integreren doen we samen.”















