Joost van den Akker achter de bar van De Kroeg, met zijn kenmerkende fles Jägermeister.
Joost van den Akker achter de bar van De Kroeg, met zijn kenmerkende fles Jägermeister. Foto: Sem van der Kallen

56 kruiden en vele verhalen: 25 jaar Joost van den Akker achter de bar

Human Interest

Sint-Oedenrode - Het is dinsdagochtend elf uur. Buiten is het dorp nog in de opstartstand, maar binnen in café De Kroeg heerst een rust die je alleen in een dorpscafé kan hebben. Aan een houten tafel zit ik tegenover Joost van den Akker. Zijn enige vrije dag, al klinkt dat betrekkelijk. “Ik ben hier eigenlijk altijd wel,” zegt hij met een glimlach.

Door: Caroline van der Linden

De bar glimt, de stoelen staan recht en het café lijkt nog even op adem te komen voordat het binnenkort weer volloopt. Mijn blik dwaalt langs de muren en blijft hangen bij een bord: “Jägermeister, 56 kruiden in een bruin borreltje.” Iets verderop: “Jägermeister voor een goede stemming.” Het zijn geen loze kreten. Joost en het drankje zijn zo’n beetje vergroeid geraakt. Boven het café heeft hij inmiddels een hele kamer vol Jägermeister-spullen. “Mensen nemen van alles voor me mee,” zegt hij nuchter. “Dat groeit gewoon zo.” Dit jaar staat er iets bijzonders op de kalender: 25 jaar kroegbaas in ons Rooise dorp. In totaal zit Joost zelfs al ruim 30 jaar in de horeca. Een vak waarin hij zich zichtbaar thuis voelt. “Het is echt anders geworden,” zegt hij. “Maar juist daarom is het mooi dat dit er nog is.” Zijn eerste stappen zette hij niet achter de bar, maar tussen het meel en de ovens. Als tiener werkte hij al in de bakkerij. “Veertien, vijftien was ik,” vertelt hij. “Gewoon ’s nachts werken en overdag naar school.” Hij haalt zijn schouders op, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. En dat was het toen ook.

Toch begon het horecaleven steeds meer te trekken. Op zijn zestiende, zeventiende rolde hij er langzaam in, totdat hij uiteindelijk in 1995 begon bij Herberg De Prins in Berlicum. “Dat was wel een mooie tijd,” zegt hij. Vijf jaar later stond zijn leven alweer op een kruispunt. Het verhaal van De Kroeg begint namelijk niet in Rooi, maar honderden kilometers verderop. Tijdens een weekend weg in Friesland, ergens tussen het karten, bier en sterke verhalen, hoorde Joost via via dat café Oud Rooi misschien te koop stond. “Ik dacht eerst: dat zal wel,” zegt hij lachend. “Maar ja, je gaat toch eens kijken.” Wat begon als een terloopse opmerking, bleek uiteindelijk een keerpunt. Terug in Brabant ging hij op onderzoek uit. Van het een kwam het ander en voor hij het wist stond hij er zelf achter de bar. “Dat was eigenlijk het begin,” zegt hij. Niet lang daarna volgde de stap naar de plek waar hij nu al een kwart eeuw zit: De Kroeg. Terwijl we praten, voelt het café nog leeg, maar zeker niet ongezellig. Alles heeft hier al iets meegemaakt. “Je maakt hier het leven van mensen mee,” zegt Joost. “Van lachen tot huilen. Soms weet je meer dan hun eigen familie.” En dat zegt hij zonder sensatie, maar met een soort vanzelfsprekendheid. Want dat is wat een dorpscafé doet. “Mensen komen hier niet alleen voor een drankje,” legt hij uit. “Ze komen voor elkaar.”

Hij denkt met plezier terug aan de jaren dat het hier standaard vol stond. Zeker rond voetbalwedstrijden en evenementen. “Alles kwam hier samen,” zegt hij. “Spelers, ouders, supporters… als er iets te vieren was, gebeurde het hier.” En daar zitten misschien wel de mooiste verhalen. Joost boekte regelmatig artiesten die toen nog nauwelijks iemand kende, maar later grote namen werden. Zo stond Frans Duijts er ooit op het podium, nog voordat hij landelijk doorbrak. En ook zanger Kafke trad er op toen hij nog vooral ‘die jongen met dat ene liedje’ was. “Dan stond het hier echt helemaal vol,” herinnert Joost zich. “Tot buiten toe. Op een gegeven moment moest de politie er zelfs bij komen om het een beetje in goede banen te leiden.” Hij lacht erbij, alsof het nog steeds een beetje onwerkelijk voelt. “Dat zijn wel mooie dingen ja.” Het typeert zijn manier van werken: gevoel, een beetje lef en soms gewoon geluk hebben.

Natuurlijk is er ook veel veranderd. “Alles is duurder geworden,” zegt hij. “Alleen al voetbal uitzenden kost tegenwoordig een hoop geld.” Waar vroeger één abonnement volstond, zijn er nu meerdere systemen en kosten. “Dan moet je echt gaan rekenen.” Daarnaast ziet hij dat jongeren anders omgaan met uitgaan. “Ze drinken vaker thuis,” zegt hij. “Spreken daar af, maken er zelf iets van.” Iets wat volgens hem na corona alleen maar sterker is geworden. “Mensen zijn het gewend geraakt.” Toch zegt hij het zonder klagen. Meer als een constatering dan als kritiek. Want als er één ding duidelijk wordt tijdens het gesprek, is het dat Joost zich niet snel uit het veld laat slaan. “Het blijft leuk,” zegt hij. “Geen dag is hetzelfde.”

Wat hem soms wel aan het lachen maakt, of lichtelijk verbaast, zijn alle regels van tegenwoordig. “Je moet overal een plan voor hebben,” zegt hij. “Een veiligheidsplan, een noodplan…” Hij pauzeert even. “Zelfs een hitteplan.” Zijn ogen beginnen te glimmen. “Vroeger, als het warm was, pakten we gewoon een paar extra glazen bier. Dat was ons hitteplan.” Het is die droge humor die hem typeert. Geen grote woorden, geen ingewikkelde theorieën. Gewoon doen. “Ik ben geen toneelspeler,” zegt hij. “Je moet gewoon jezelf zijn.” En dat werkt. Want juist daardoor voelt het hier voor veel mensen als een tweede huiskamer. Door de jaren heen zag hij generaties opgroeien. “Je ziet alles langskomen,” zegt hij. “Relaties, kinderen… en soms ook het afscheid.” Het café is daarmee niet alleen een plek voor gezelligheid, maar ook een plek waar het leven zich in alle facetten laat zien.

Zijn werkritme is stevig. Dinsdag is zijn enige vrije dag. Woensdag is de zaak ook dicht, maar dat betekent vooral administratie, inkopen en regelen. “Dat hoort er allemaal bij.” De rest van de week staat hij er gewoon. Vaak lange dagen, vaak dezelfde gezichten, maar nooit hetzelfde verhaal. Opvallend genoeg doet hij het grotendeels alleen. “Maar heb ik personeel nodig, dan hoef ik geen advertentie te zetten, dan heb ik ze zo gevonden,” vertelt hij. “Alles kan ik een beetje via via regelen.” Het past bij zijn manier van werken: overzicht houden, betrokken blijven en vooral zelf aanwezig zijn. “Ik heb van mijn werk mijn hobby gemaakt, dus ik hoef nooit te werken”, zegt Joost enthousiast. Wat hij soms mist, zijn de gezamenlijke momenten met andere horecaondernemers. “We gingen vroeger met de horecavereniging op pad,” zegt hij. “Dat was altijd gezellig.” Tegenwoordig gebeurt dat minder. “Jammer eigenlijk.” Maar als er iets is dat overeind blijft, is het de kracht van het dorp. Tijdens carnaval, kermis en andere evenementen komt alles nog altijd samen. “Dan zie je hoe mooi het is,” zegt hij. “Iedereen doet mee.”

Als ik hem vraag wat hem na al die jaren nog steeds motiveert, hoeft hij niet lang na te denken. “De mensen,” zegt hij. “En dat je nooit weet hoe de dag loopt.” Hij staat op, loopt naar de bar en zet alvast wat recht. Buiten komt het dorp langzaam op gang. Ik kijk nog één keer rond. De spreuken aan de muur zeggen eigenlijk alles al.

“Jägermeister, 56 kruiden in een bruin borreltje.” En: “Jägermeister voor een goede stemming.” In De Kroeg blijkt dat al 25 jaar verrassend simpel te werken. De deur open, de eerste gasten aan de bar en voor je het weet zit je midden in een verhaal.

Met vaste hand tapt Joost een biertje.