
Zwervers en zo…
CultuurSint-Oedenrode - ‘Bij ons thuis kwam van alles langs. Als ik naga, hoefden wij eigenlijk niet het dorp in. Alles kwam gewoon aan huis.
Door: Theo van Kuijk
Wij woonden op Zwijnsbergen, een buurtschap tegen Son aan. Aan de ene kant begrensd door de Vresselseweg aan de andere kant door de Dommel. Wij woonden net als onze buren op een boerderij. Mijn ouders waren eenvoudige maar trotse mensen. Hard werken voor de kost en tevreden met wat hen te beurt viel. Veel werd zelf rond de boerderij gedaan. Voor een reparatie komt geen timmerman. Dat deed ons vader zelf en als hij het niet kon dan deed de buurman het wel. Zo hielpen wij elkaar. Dat gaat in een buurtschap zo. Je staat voor elkaar klaar. Ons moeder was handig met alles wat in het huis moest gebeuren. Kleren herstellen, sokken stoppen en gewoon ervoor zorgen dat iedereen zijn natje en droogje kreeg. Met zeven kinderen had zij daar een hele dagtaak aan. Ook in de buurt had zij een taak. Als er ergens in de buurt aan de waslijn een rode zakdoek hing, was dat een teken dat er in dat huis een bevalling begonnen was. Dan sloeg zij snel haar schouderdoek om en ging op weg naar de vrouw die haar hulp hard gebruiken kon. Maar soms heb je ze wel nodig, vakmannen. In de zomer dan komen ze vaak langs…
Sommige ken ik nog bij naam. Je had Jan van Boxtel, die repareerde paraplu’s. Ja, tegenwoordig verdwijnen die in de vuilnisbak als je ze niet meer open kunt trekken maar vroeger werd nog geprobeerd alles te repareren. Weggooien kan altijd. Die Jan was een mooi mens. Hij had geen vaste woon- of verblijfplaats. Nee, Jan woonde waar de wind hem bracht. Sliep in het stro in de schuur en at het brood dat hem werd toegestopt. Als hij een reparatie moest doen, ging hij langs de Dommel in het gras zitten en werkte daar tot de paraplu weer netjes open en dicht kon. Ik heb wel gehoord dat Jan door heel Nederland trok. Vraag hem een plaats en hij wist precies waar het lag en hoeveel dagen lopen het was om er te komen. De kaart van Nederland had hij helemaal in zijn kop zitten. De grap was dat toen Jan met pensioen ging hij van de Nederlandse Staat meer kreeg dan dat hij in een jaar verdiende. Hij kon in ieder geval de borreltjes, die hij graag dronk, voortaan betalen. Dat was altijd beter dan de spiritus die hij dronk als de centen op waren. Een scharensliep kwam ook voorbij. Dat was Rooie Toon zonder achternaam. Hij kwam vaker dan Jan. Messen en scharen zijn ook sneller bot dan dat paraplu’s niet meer open kunnen. Voor een appel en een ei sleep hij al je messen vlijmscherp. Dan had je nog Toontje van Gulick de mattenvlechter, de kruidenier met altijd het laatste nieuws uit het dorp. En Fonske den Bels of wel de Nonkel . Hij handelde in klein landbouwgereedschap. Maar van Van Ledderen daar kan ik nog wel wat van vertellen. Geen idee wat die eigenlijk deed.
Van Ledderen was een landloper volgens de letter. Je kunt het plaatje gewoon uittekenen: flodderbroek, goor jasje aan, muts op zijn kop en een stok met zakdoekbundeltje voor alles wat hij niet in zijn zakken kwijt kon. Van Ledderen kon niks, deed niks en wilde eigenlijk ook niks. Hij leefde van de boterham die je hem toestak en met een kommetje hete soep extra was hij intens tevreden. Wassen deed hij zich aan de pomp, gewoon in de Dommel of helemaal niet. Hij sliep op een open plek in het bos of in het gras aan de waterkant. Hij maakte er met drie takken en een doek een tent en sliep er als een roos bij het gefluit van de vogels. Plotseling zagen wij hem niet meer terug. Wij hoorden dat Van Ledderen een mooi meisje was tegengekomen en dat het gedaan was met zijn zwerversbestaan. Hij moest een vak leren om zijn meisje en later zijn prille gezinnetje te onderhouden. Soms denk ik nog wel eens hoe zou het hem vergaan zijn in zijn leven. Maar het was een mooie mens die genoot van wat God met hem voor had, de natuur en vooral het avontuur. Hij zou beslist prachtige verhalen kunnen vertellen. Dat weet ik zeker.’
Voor meer verhalen in de reeks Roo(i)skleurig: www.rooiscultureelerfgoed.nl/projecten















