
Huisarts Angela van Uden: bescheiden, sociaal én lef
Zorg en WelzijnSint-Oedenrode - Dit interview vindt dokter Angela van Uden maar niks. Ze staat niet graag in de belangstelling en heeft geen behoefte aan publiciteit. Ze heeft er zelfs achteraf spijt van dat ze ermee heeft ingestemd. Het liefst was ze in stilte vertrokken om haar medische missie in Tanzania te volbrengen. “Want”, verklaart ze, “waarschijnlijk wordt het als iets heel bijzonders beschouwd wat ik ga doen. Maar voor mij is het dat helemaal niet. Voor mij is het niet iets heel groots.” Het tekent haar bescheidenheid.
Door: Jan & Wenny van der Heyden
Waarom ze dan toch meewerkt?
“Omdat ik nu twee vliegen in één klap wil slaan. Ik heb nu nog twee missies: zoveel mogelijk geld ophalen voor het kinderweeshuis bij dat ziekenhuis én de Rooise bevolking een inkijkje geven in het wonen en werken in een Afrikaans ontwikkelingsland.”
“Is dat idealisme?”, vraagt ze. Maar wacht het antwoord niet af. “Wat is idealisme? Een hoger doel nastreven? Ja, dan is ’t dat misschien wel. Dat hoort ook wel ’n beetje bij mij. Als kind had ik al het gevoel dat ik mensen wilde helpen.”
Ze vertelt met enthousiasme over het geld dat ze als kind in Rosmalen, haar geboorteplaats, ophaalde door met Driekoningen langs de deur te gaan om een liedje te zingen. “En niet alleen om snoep op te halen”, beklemtoont ze, “maar geld voor de arme kindjes in Biafra.” En zo heeft ze nog meer voorbeelden. Zilverpapier verzamelen, met schoolkinderen in Rooi die op één dag met hetzelfde lied zingend van school naar school trokken. “Dat deed ik samen met mijn jongste zoon, die was toen 10. Twaalfduizend gulden opgehaald voor een thuiszorgproject in Malawi! Daar ben ik nóg trots op!” En weer die vraag: “Is dat idealisme? Ik weet ’t niet. Misschien wel. Het is begaan zijn met de mensen of zo.”
Wat heeft haar bewogen om de eigen drukke praktijk enkele maanden te verlaten om voor niks te gaan werken in een vreemd en arm land?
“Het idee is ontstaan vorig jaar juni toen ik met mijn dochter Vera, die in opleiding is voor tropenarts, over haar toekomst filosofeerde. Hoe je als tropenarts-in-opleiding aan een werkplek komt. Ze wees me toen op een site van een organisatie die als doel heeft jonge onervaren artsen een werkplek te bezorgen in ontwikkelingslanden. Ik keek eens op die site en ik werd er best een beetje enthousiast van. Ik had als jong tropenarts al in Malawi gewerkt en daar heb ik goede herinneringen aan overgehouden. Dat is voor mij een ervaring geweest die ik niet had willen missen. Die vijf jaren in Malawi hebben mij gevormd tot de huisarts die ik nu ben.”
Door bemiddeling van die organisatie maakte Angela contact met de directeur van een ziekenhuis in Tanzania. “Ik moest een sollicitatiebrief schrijven en een curriculum vitae sturen, zei hij. Dat heb ik gedaan en na vijf dagen kreeg ik bericht terug dat ik kon komen. Dat overviel me wel ’n beetje, moet ik zeggen!”
Dokter Van Uden verbloemt niet dat ze ook naar Tanzania gaat om te proeven aan een andere cultuur. “Ik voel me een wereldburger, voel me verbonden met de wereld en met de wereldwijde gemeenschap. Ik wil er meer van begrijpen. En ik wil bijdragen aan bredere doelen, zoals rechtvaardigheid en duurzaamheid. Ik geloof dat als culturen met elkaar in contact komen en we daarover met elkaar communiceren dat de wereld beter wordt.” En met een lichte twijfel in haar blik: “Is dat hoogdravend wat ik nu zeg?”
Het ‘dokteren’ in de tropen, zoals ze het noemt, is heel anders dan hier. “Veel uitdagender, veel meer probleemoplossend en creatief denken. Er zijn daar veel minder diagnostische en therapeutische mogelijkheden.”
Ze denkt, zegt ze, dat ze in Tanzania als dokter meer impact kan maken. “Ik kan daar met mijn kennis wellicht meer betekenen dan iemand met een veel mindere opleiding en minder vaardigheden. Ik kan daar individuele patiënten helpen, maar vooral hoop ik dat ik mijn kennis en vaardigheden kan overdragen aan dokters en verpleegkundigen.”
Aan het ziekenhuis is naast een kinderweeshuis ook een hospice verbonden. Angela hoopt vurig dat ze daar met haar Rooise palliatieve zorgervaring veel goed werk kan verrichten. “In dat hospice verblijven veel aids- en kankerpatiënten. Ik denk dat ik daar van meerwaarde kan zijn. Hoe bestrijd ik pijn, hoe bestrijd ik jeuk van mensen in hun sterfbed? Hoe ga ik om met mensen die verward of misselijk zijn of het benauwd hebben? In één jaar zijn in dat hospice 1300 mensen gestorven.”
We spreken met haar over de grote verschillen tussen de gezondheidszorg in Nederland en Afrika.
“Het gezondheidspeil in Tanzania is ronduit slecht”, zegt ze resoluut. “Er heersen virusziekten. Het malariarisico is er hoog. De gezondheidszorg is er niet voor iedereen weggelegd. De medische voorzieningen zijn beperkt. Er is te weinig geld en een fors tekort aan volledig opgeleid medisch personeel. In de ziekenhuizen is slechte communicatie- en transportinfrastructuur.“ Het niveau van de gezondheidszorg, anders gezegd de kwaliteit, wordt wereldwijd bepaald door indicatoren aan de hand van bijvoorbeeld geboorte- en sterftecijfers. Angela heeft naar die overzichten gekeken. “Nederland staat op de 7de plaats, Tanzania op 107.”
En dan, als in een flashback, komen haar vijf werkzame jaren in Malawi terug. “Daar heb ik staan te opereren, maar dat ga ik nu niet meer doen, want die vaardigheden ben ik verleerd. Het aantal opnamen was vier keer zo hoog als het aantal beschikbare bedden. Patiënten lagen daar gewoon op de grond! Als ik ze behandelde, moest ik gewoon over hen heen stappen. Elke dag gingen daar mensen dood, vooral aan aids. Ook onder het personeel. Ik heb in die jaren driekwart van het personeel mee begraven.” Na een korte stilte: “Het was zwaar en niet altijd even leuk. Maar ik heb daar als dokter kunnen werken. Ik heb er nieuwe mensen ontmoet en er vriendschappen voor het leven gesloten.”
Dus je weet wat je te wachten staat.
“Ja, dat weet ik. Als arts leer je een basishouding aannemen. Dat je niet alles mee naar huis kunt nemen. En dat is goed, want als arts moet je overeind blijven. Dus ik zal daar niet gebukt gaan onder het leed dat ik er aantref. Is dat hard gezegd?” Ze vervolgt: “Toen ik van Malawi terugkwam had ik meer moeite met het terugkeren in Nederland dan met de confrontatie daar. Ik weet nog dat ik was verbijsterd over het luxe leven hier. Hoe wij hier ons druk maken over de aanschaf van een nieuw bankstel.”
En dan, iets vuriger van toon: “Wij hier in Nederland leven in een luxe welvarende omgeving. En toch wordt er nog heel veel geklaagd. Ten onrechte! Iedereen in Nederland die zorg nodig heeft, krijgt zorg! We worden in Nederland heel erg oud. En ja, dat brengt meer klachten en kwaaltjes met zich mee. In Tanzania heerst tuberculose, malaria, chronische diarree. En dat zijn heel wat andere soorten ziekten dan hier! En dat komt omdat de basisgezondheidszorg er beneden peil is. Er is een tekort aan schoon drinkwater, aan latrines. Daardoor komen daar deze ziekten zoveel voor. Ook komen er steeds meer kankerpatiënten.”
We kunnen er niet omheen het risico naar Tanzania te reizen en te verblijven met haar door te nemen.
“Er zijn gevaren, dat zeker, met name in het verkeer. En er zijn risico’s op ziekten, zoals malaria en het malburgvirus. En uiteraard loop je als blanke risico’s op berovingen. Och”, zegt ze, “ik zie ’t wel. Dat bedoel ik natuurlijk niet laconiek, maar ’t hoort er een beetje bij. Ik neem risico, dat realiseer ik me. Maar als je geen risico neemt, wordt ’t leven wel heel erg saai. Ik zorg er natuurlijk wel voor dat ik als het donker wordt, en dat is in Tanzania na zes uur ‘s middags, niet meer op straat loop. Ik houd me gedeisd. En in het ziekenhuis zal ik me zoveel mogelijk beschermen tegen infecties. Daar gaat de witte jas weer aan, die ik hier nooit draag. En handschoenen en zo nodig een mondkapje.”
Tot slot: hoe en waar ga je wonen?
“Ik moest zelf naar accommodatie zoeken. En dat is me gelukt. Noord-Tanzania is ook een toeristengebied en dus zijn er veel sites die toeristische lodges verhuren. Behoorlijk prijzig natuurlijk, maar ik heb er een gevonden bij een mevrouw die met haar hand over haar hart streek toen ze hoorde dat ik er enkele maanden zou verblijven als vrijwilligster in het ziekenhuis. Ik moet elke dag 11 kilometer fietsen of 7 kilometer lopen om het ziekenhuis te bereiken. Maar dat ga ik zeker doen. Ik neem mijn eigen mountainbike mee. Ik zie het al voor me daar te lopen of te fietsen met een rugzakje.”
















