Afbeelding

Veertien gouden paren uit één gezin

Roois nieuws

Sint-Oedenrode - Het aantal gouden huwelijken neemt toe, maar dat je dat in één gezin veertien keer mee mag maken is uniek. Op 17 mei 1977 vierden Piet en Anna Bouwdewijns hun 50-jarig huwelijksfeest. Dat zoveel van hun negentien kinderen dit in navolging op hen ook zouden bereiken, is uitzonderlijk. Het laatste gouden paar binnen het gezin is dit jaar een feit. Een bijzonder moment en daarom nu zeker een terugblik waard.

Door: Caroline van der Linden

Hun jeugd doorgebracht in Mariahout, wonen nu vijf van de negentien kinderen in Rooi, twee van hen, Jan en Frans Bouwdewijns, kijken samen met hun inmiddels oudste broer Martien terug op de jaren dat ze opgroeiden in het grootste gezin dat Nederland ooit gekend heeft, afkomstig van één vader en moeder. Met respect, discipline en zonder flauwekul werden ze opgevoed. Hoe hebben zij dit ervaren met tien broers en negen zussen?

“Vader verdiende de kost met boeren”, begint Martien te vertellen. “Hij had een knecht voor dag en nacht en op maandag was er een arbeidster die ons moeder hielp met het wassen en het naaiwerk”. Toen de oudste, ons Lies, oud genoeg was om te helpen, was de arbeidster niet meer nodig. Vanaf dat we een jaar of zeven waren, hielpen we allemaal mee in huis en op de boerderij. Ieder had zijn eigen taak. Zo van die karweitjes als aardappelen schillen, maar ook de koeien uit de wei halen en de kippen en varkens voeren. We hadden geen hekel aan werk, er was altijd een gezellige sfeer bij ons thuis. Toen mijn oudste broer Toon, die inmiddels overleden is, ook oud genoeg was, was ook de knecht niet meer nodig. Ons moeder was goed in organiseren en zij stuurde alles aan. Ze was handig en creatief. Ze was altijd bezig en toch ging er rust van haar uit, zo heeft ze al haar kinderen zelf borstvoeding gegeven”, vertelt Martien. “Bij de jongste tweeling had ze echter niet voldoende. Gelukkig kende de wijkzuster een jonge moeder die wel wat borstvoeding over had en regelde dit voor haar. We gingen met heel de buurt te voet naar school, een kilometer of twee en dan vier keer per dag. Doorleren deden er bij ons verschillende, met name door het volgen van diverse avondcursussen. Maar een enkeling ging overdag, zodat er meegeholpen kon worden op de boerderij.”

Je vertelde dat je moeder goed kon organiseren, gold dat voor je vader ook? “Ja”, vertelt Jan. “Hij regelde het werk wel en stuurde ons aan. Mijn vader kon af en toe best streng zijn, maar pakte dingen slim aan. Behalve het boerenwerk, handelde hij in vee en paarden. Als de oogst binnen gehaald moest worden bij de buren, werd ons gezin vaak ingeschakeld om een handje te helpen. Iedereen hielp elkaar, zo ging dat in die tijd. Op vierjarige leeftijd hielpen we mee met het uitrapen van de eieren en op elfjarige leeftijd leerden we van mijn vader met twee paarden simpele ploegwerkzaamheden te doen. We waren altijd bezig, werkten hard, maar hadden veel plezier samen. We speelden regelmatig verstoppertje, wat met velen een leuke uitdaging was om iedereen te vinden. En als er ooit iets niet boterde, dan werd het uitgepraat tot het was opgelost. De waarheid moest boven tafel komen. Altijd eerlijk zijn, dat werd ons meegegeven. Op af en toe een uitspatting na, hield mijn vader iedereen netjes in het gareel.”

Hoe ging het in jullie gezin als jullie moesten eten? Kon dat wel allemaal tegelijk? “Ja”, vertelt Frans. “We hadden een grote woonkeuken met een tafel van een meter of vier. We hadden allemaal een vaste plek. Als we allemaal thuis waren, werkten er twee van ons hun soep aan het aanrecht naar binnen en drie kregen hun aardappelen aan het uitschuifblad van de naaimachine.

Vanaf een jaar of dertien werden verschillende van ons als werkster of knecht verhuurd aan een boer of ging je bij iemand de huishouding in. Dat was voor dag en nacht. Je kwam dan vaak alleen op zondag nog thuis.” En al die kleren die nodig waren, hoe ging dat in z’n werk? “De naaimachine kon veel aan en draaide vaak op volle toeren. Alles werd zelf gemaakt en als het even kon per 21 stuks. Meters stof van de markt werden er dan doorheen gehaald, zodat iedereen weer een nieuwe broek, blouse of pyjama had. En om verwarring te voorkomen, had iedereen zijn of haar eigen nummer. Mijn vader had nummer 1 en de jongste had nummer 21. Dit werd er door mijn zussen keurig ingezet. De waslijn liep vanaf de boerderij tot aan het kippenhok en dat waren heel wat meters. Als we zondags naar de kerk gingen, dan werden onze jassen geruild, want er was niet voor iedereen een warme jas. De helft ging dan naar de ene mis en de andere helft naar de volgende.

En het slapen, hoe was dat geregeld? “We hadden op de ouderlijke boerderij twee grote slaapvertrekken, net zoals je nu op kamp zou gaan. We lagen allemaal in tweepersoonsbedden per twee op volgorde van leeftijd bij elkaar. Eén vertrek met de meisjes en het andere met de jongens. Nou trouwens, drie konden er niet bij, die sliepen op het opkamertje en mijn ouders sliepen beneden. Op geschikte plekken stond hier en daar een po. Met hoge nood was het op tijd bereiken van de stal namelijk geen optie als je niet vooraan lag. Na de oogst werd het koren gekaft en dat ging in de bedden. Dan waren we zo boven, want dan lagen we lekker hoog. Dan hadden we voor ons gevoel echt een nieuw bed. Omdat de trap naar boven natuurlijk intensief gebruikt werd, was een jaarlijkse schilderbeurt wel nodig. Als dat moest gebeuren, gingen we allemaal achter elkaar de houten ladder op en door het raam de slaapkamer in.”

En hoe ging dat met verjaardagen en bijvoorbeeld Sinterklaas? “Vol spanning zaten we dan op het luik van de trap te wachten. Misschien kreeg je wel een bal, een tol of iets anders waar je dolgelukkig mee was. Een das, een paar wanten en wat kleurtjes zaten er in ieder geval wel bij. De stelregel was dat er nooit iemand voorgetrokken werd. En met je verjaardag kreeg je altijd het grootste ei en kwam iedereen je netjes een hand geven.” Er zijn al een paar namen genoemd van je broers en zussen, kun je ze op volgorde opnoemen, vraag ik aan Martien. “Ja, dat kan ik wel. Op volgorde heten ze: Lies, Toon en Jo (eerste tweeling), Dien, Mieke, Martien, Mien, Toos, Doortje, Ger, Pieter, Jan, Anne-Marie, Harrie, André, Frans en Jozef (tweede tweeling), Sjaak en de jongste Nico, welke binnenkort als laatste zijn gouden bruiloft bereikt. Acht kinderen hebben hun tachtigjarige leeftijd al aangetikt en twee zijn al boven de negentig. De drie oudsten van het gezin zijn inmiddels overleden, er zijn 51 kleinkinderen en 101 achterkleinkinderen.”

Een grote familie, wat zal je moeder daar trots op zijn geweest. Wat was ze eigenlijk voor vrouw? “Mijn moeder was geweldig. Ze kon het grote gezin goed aan. Zoals ik al zei was ze handig en creatief. Ze kon goed koken en deed dat in enorme pannen. Ze bakte twee keer per week zelf al ons brood in een ouderwets houtgestookte bakoven in het bakhuis. Vader hielp mee met stoken en wij droegen het hout aan. Het brood sneed ze met de hand in sneeën, die ze opstapelde voor als we uit school kwamen gerend. Want wie er het eerst was kreeg de dikste plak. Een emmer met aardappelen en vijf broden per dag, was wat we nodig hadden. In november werden er vier varkens geslacht, een gedeelte werd geweckt en de rest gerookt. Als mijn vader en moeder jarig waren, kwamen ooms en tantes op bezoek. Iedereen bleef eten, maar het lekkerste stukje bewaarde ze in de kelder voor haar kinderen. Want zij waren haar trots. Ook had ze een moestuin en deed ze de inmaak. Wij hielpen dan uiteraard mee. Ook het wegwerken van een geslacht varken ging haar goed af. Ze mopperde nooit tegen ons, maar keek ons soms doordringend aan en dan wist je wel wat je te doen stond. Moeder was nooit ziek en lag alleen in bed als ze een kind gekregen had. Ze was lief, innemend, danste graag, zong liedjes over het leven en had een diep vertrouwen in de Heilige Maria. We waren allemaal graag in haar buurt. Ze hield van orde en netheid. Onze kleren moesten altijd schoon en heel zijn als we naar school gingen. Onze klompen werden elke dag netjes afgeschuurd en op de put te drogen gezet. Ze hield alles in de gaten. Ze genoot ervan het gezin draaiende te houden, met al haar kinderen om haar heen.”

In 1981 op 78 jarige leeftijd stierf vader Piet en in maart 1991 sliep Anna op 85 jarige leeftijd vredig in, met al haar kinderen en kleinkinderen om haar heen. Op haar grafsteen staan tien korenaren en negen korenbloemen met het opschrift “Wees goed voor elkaar”, haar levensmotto, wat ze aan haar kinderen meegaf. Een hechte Brabantse familie die in oktober samen het veertiende en laatste gouden jubileum paar in hun gezin gaan eren, net zoals hun vader en moeder dat in 1977 deden.