
Over spreekwoorden en gezegden gesproken II
Historie HistorieOude meesters brachten spreekwoorden in beeld
In de 16e eeuw werden door verschillende bekende kunstenaars spreekwoorden en zegswijzen in beeld gebracht. Die schilderijen waren erg populair. Een van de bekendste werken is het schilderstuk van Pieter Bruegel de Oudere waarin hij maar liefst zo’n 125 spreekwoorden en gezegden uitbeeldt. Ook zijn tijdgenoot de Vlaamse cartograaf, graveur en kunstenaar Frans Hogenberg maakte een werk waarin hij de spot, in veel uitspraken verborgen, uitbeeldde met als titel ‘De blauwe huyck’ (Rijksmuseum, Amsterdam). Veel van die spreekwoorden uit die tijd zijn ook nu nog in gebruik! Het schilderij van Pieter Bruegel wordt eveneens ‘De blauwe huik’ genoemd
Honden en katten vaak als onderwerp
Vaak worden dieren kenmerkende eigenschappen toegedicht. Zoals de trouw van een hond, de wijsheid van een uil, de koppigheid van een ezel of de domheid van een varken enz. enz. Of die eigenschappen terecht zijn laten we graag in het midden. Dat neemt niet weg dat het interessant is er een aantal in deze aflevering te laten passeren.
afbeelding 1
De hond in de pot vinden: Op het werk van Frans Hogenberg gaat niet alleen iemand bij de duivel te biecht maar treffen we ook een hond aan die de laatste restjes uit een ketel slobbert. Ook al heft de hongerige man zijn stok (wie een hond wil slaan, vindt namelijk licht een stok), zijn maaltijd is in de hondenmaag verdwenen. Hij moet ongetwijfeld met honger naar bed.
Je moet geen slapende honden wakker maken: Voor honden die slapen hoef je niet bang te zijn. Maak je ze wakker, dan beginnen ze waarschijnlijk te blaffen of erger nog, te bijten. Het meest verstandige is dus om zachtjes te doen en ze in dromenland te laten. Ook is het verstandig om geen ruchtbaarheid te geven aan zaken die misschien vervelende gevolgen kunnen hebben als ze bekend worden gemaakt. Laat iedereen maar in heerlijke onwetendheid. Dat wisten ze in 1545 werd al: men en sal den slapenden hont niet wecken. Duitsers en Fransen laten overigens niet alleen slapende honden liever met rust, maar ook slapende katten.
Nu we ‘t toch over katten hebben
Omwille van de smeer likt de kat de kandeleer.
Dit is een op het eerste oog wat vreemde zin. Pakken we eerst de betekenis ervan maar even bij: veel dingen die mensen doen, komen voort uit eigenbelang. Smeer is vet en dan met name het gestolde kaarsvet. Kandeleer is een oude schrijfwijze van kandelaar, die in dit spreekwoord omwille van het rijm is gebruikt. Het spreekwoord heeft vooral betrekking op vleierijen, waar het beeld likken natuurlijk uitermate goed bij past. In 1495 luidde dit spreekwoord: ‘om die minne vanden smeere led die catte den candeleere’ (‘uit liefde voor de smeer, likt de kat de kandelaar’). ‘The cat knows whose beard she licks’ (‘de kat weet wiens baard zij likt’) is een vergelijkbaar beeld in het Engels. Duitse katten likken weer andere zaken: ‘die Katze leckt den Topf der Milch wegen’ (‘de kat likt de pan vanwege de melk’). De Fransen drukken het weer anders uit: ‘pour l’amour du saint, on baise les reliques’ (‘omwille van de heilige, kust men de relieken’), of ‘pour l’amour du chevalier, la dame baise l’écuyer (‘omwille van de ridder kust de dame de schildknaap’). Kortom: om in de gunst van het baasje te komen likt de kat zelfs het gestolde kaarsvet op!
Als de kat van honk is dansen de muizen op tafel!
Een kat in huis (of boerderij) zorgt ervoor dat de muizen vluchten. Ze willen geen prooi voor de hongerige poes zijn. De kat waakt altijd, licht of donker en wee de muis die avontuurlijk van aard toch op ontdekkingstocht gaat naar een lekker hapje dat via een openstaande la of een kiertje bereikbaar is. De vergelijking met enigszins overmoedige jeugd, een amoureus paartje en ouders die niet thuis zijn is snel gemaakt. De band wordt losser en de mogelijkheden bieden onverwachte perspectieven. Daarom ook het uitroepteken achter dit spreekwoord.
Maar ook koeien en kalveren spelen een rol
Laten we even een kijkje nemen in de stal. Het is kouder geworden en alle koeien staan binnen, naast elkaar, tevreden te herkauwen. Prachtig gezicht! En, wat zien we? Allemaal vlekken, grote en kleine, rood-bont en zwart-bont.
Men noemt geen koe bont of er is wel een vlekje aan.
Een bonte koe is een koe met vlekken. Als een koe bont genoemd wordt, is dat dus omdat ze tenminste één vlek heeft. Die koeien-eigenschap is in dit spreekwoord ook op mensen geprojecteerd. Zo zal het dan ook wel met mensen zijn: er wordt al snel aangenomen ‘als iemand wordt geprezen voor zijn oprechtheid, zal hij wel best ook eens een keer gelogen hebben’. Hij kan ook wel eens een leugentje verkondigd hebben, zo ging het gerucht. Dat gerucht, die aanname, leefde ook al in de klassieke Oudheid. ‘Numquam temere tinniit tintinnabulum’ (‘nooit begon een klokje zomaar te klepperen’). In het Middelnederlands zei men: men en heet gheen koe blare si en heeft een wit hooft (‘men noemt geen koe een blaarkoe [een blaar is een witte plek op de kop, een bles] of ze heeft een wit hoofd’). ‘Common fame is seldom to blame’ (‘wat door het volk gezegd wordt, is zelden te bekritiseren’), zeggen de Engelsen. Iedereen weet het: waar rook is, is vuur. Een soortgelijk spreekwoord luidt: er is geen koe zo zwart of er is wel een vlekje aan. Dat betekent dat zelfs effen zwarte koeien nog wel een klein vlekje hebben. Met andere woorden: niemand is volmaakt! Achter in de stal is er een apart hok voor de kalveren. Normaal staan er meerdere kalveren in dat hok. Waarom staat er nu maar één, terwijl er gisteren twee stonden?
afeelding 2
Als het kalf verdronken is, dempt men de put
Nu is het kalverenverblijf dicht maar gisteren heeft iemand het deurtje open laten staan en is er een kalf in de brandkuil gevallen en verdronken (Dit is een diep met water gevuld gat om te gebruiken bij blussen van brand). Die kuil is meteen daarna gedicht omdat die in de huidige tijd niet meer noodzakelijk is. Nadat het kwaad al geschied is, worden maatregelen genomen. De uitspraak bestaat al sinds de klassieke oudheid, maar helaas is er elke dag wel een reden om het spreekwoord te gebruiken. ‘Quid juvat amisso daudere saepta grege’ (‘wat helpt het om de omheining te sluiten als de kudde verloren is?’), vroeg men zich vele eeuwen geleden al vertwijfeld af.
In de laat Middelnederlandse versies verdrinkt er geen kalf, maar een kind. Aan het eind van de vijftiende eeuw bijvoorbeeld: als tkint verdroncken es so stopt men den put. Op het eerdergenoemde schilderij van Pieter Bruegel de Oudere uit 1559 wordt het spreekwoord met het kalf al afgebeeld.
Het paard neemt een aparte plaats in
Voor het paard is vaak een aparte stalruimte gereserveerd. Zelfs al heeft men het paard van een overleden ongehuwde neef geërfd. Want …Je moet een gegeven paard niet in de bek kijken. Aan de tanden van een paard kun je zien hoe oud het dier ongeveer is. Een paardenkenner kijkt een paard dus in de bek om de leeftijd te schatten; een logische actie als je een paard wilt kopen. Als je het paard echter cadeau krijgt, is het niet zo beleefd om het direct in de bek te kijken om te bepalen hoe oud het is en daarmee hoeveel het waard is. Het spreekwoord stamt uit het Latijn: ‘noli equi dentes inspicere donoti’ (‘de tanden van een gegeven paard moet je niet inspecteren’).
Het varkenshok doet ook mee
Buiten gekomen lopen we naar het varkenshok. Over het varken zijn talloze gezegden en spreekwoorden te vinden. Daar komt dit dier helaas niet altijd als slim in tevoorschijn. Op een schilderij van Pieter Bruegel de Oudere wordt een minder bekend spreekwoord afgebeeld. Wie verloren werk wil doen, strooit rozen voor de varkens. Een man loopt over zijn erf met een buidel vol mooie rozen. Die strooit hij voor de varkens op de grond. De varkens snuffelen eraan maar doen er verder niks mee. De man geeft dus mooie dingen weg die niet worden gewaardeerd. Variant hierop: Parels voor de zwijnen werpen.
afbeelding 3
Onze globale wandeling door spreekwoorden met en over dieren is toch lichtelijk vermoeiend geweest en noodt tot een hazenslaapje. Laten we daarom: Even een uiltje knappen. Een uiltje knappen heette vroeger ook wel ‘een uiltje vangen’. Knappen en vangen betekenen hetzelfde. Iemand die een uiltje knapt, doet een middagdutje. Hij is er dus even tussenuit en om zijn afwezigheid te verklaren, geeft hij als ‘smoesje’ op dat hij een uiltje aan het vangen is. Uilen zijn nachtdieren, overdag slapen ze, dus dat is een goede tijd om uilen te vangen.
Een goede droomloze slaap om ‘s morgens in de vroegte fris een nieuwe dag te begroeten, immers: De morgenstond heeft goud in de mond. In het Latijn luidt het spreekwoord ‘aurora Musis amica est’ (‘De ochtend is de Muzen dierbaar’) en Erasmus voegde daaraan toe: ‘aurora musis amica est, apta studiis’ (‘…(en) geschikt voor het beoefenen van de kunst’). Het woord ‘morgenstond’ is een oud woord voor de vroege ochtend. Het is een samenstelling van ‘morgen’ en het Middelnederlandse woord ‘stont of stonde’, dat ‘tijdstip’ betekende en dat we nu nog terugzien in ‘terstond’ (‘onmiddellijk’) en ‘aanstonds’ (‘dadelijk’). Vroeg opstaan om aan het werk te gaan werd als een deugd gezien. De associatie van de dageraad met goud ligt voor de hand. Het Latijnse woord voor dageraad, ‘aurora’, is afgeleid van dezelfde stam als het Latijnse woord ‘aurum’ (‘goud’), de kleur van de opkomende zon. Het woord ‘mond’ is waarschijnlijk gekozen vanwege het rijm. Wie vroeg opstond om aan het werk te gaan zou met goud beloond worden, dus rijk worden.
In het derde deel van ‘Over spreekwoorden en gezegdes gesproken’ bekijken we, zoals in deel 1 min of meer beloofd, of het ook goed weer zal gaan worden.
Door: Heemkundige Kring ‘De Oude Vrijheid’, werkgroep geschiedenis. Contact: secretariaat@oudevrijheid.nl













