
Rooise Streken 33: Gijsbertus Coeverinx, bisschop maar niet gewijd
Straatnaambord
De Coeveringslaan begint bij de Ameroyenhof kruist de Philippusstraat en loopt dan verder tot de Brockstraat, op het straatnaambordje zonder ‘k’ geschreven. Deze laan is genoemd naar de zestiende-eeuwse Rooienaar Geisbertus Coeverings. Hij werd volgens de toelichting op het straatnaambordje een eeuw oud, iets wat voor die tijd zeer uitzonderlijk was. Daarnaast had hij blijkbaar ook nog eens de eer in twee bisdommen het ambt van bisschop te hebben bekleed. Kortom, meer dan genoeg redenen om deze illustere Rooienaar met een naar hem genoemde ‘laan’, te herdenken. Maar net zoals het ietwat op gespannen voet met de waarheid staat deze straat een laan te noemen - dat is namelijk formeel alleen correct als aan beide zijden bomen staan- valt er op de toelichting op het straatnaambordje ook het een en ander af te dingen.
foto 1
Geisbertus Coeverings
In de meest bronnen wordt hij Gijsbertus of Gijsbert Coeverincx of Coeverinck genoemd. De voornaam ‘Geisbert’ met een korte ‘ei’ komt alleen voor op het straatnaambordje evenals ‘Coeverings’ als achternaam. Hij werd in 1539 geboren in en genoemd naar het buurtschap dat nu nog steeds Koevering (toen ook Couvering) wordt genoemd. Op deze plek stond ook, op de grens van Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode de voormalige Koeveringse molen. Deze molen heeft ook onder andere namen bekend gestaan namelijk als Molen van Everswijck (genoemd naar het Everse) en molen Hertog Jan van Brabant. De naam Koeveringse molen is echter in de volksmond blijven hangen. Omdat deze de grens van drie gemeentes markeerde was het zelfs korte tijd een reële optie dat bij het samengaan van deze drie gemeentes de nieuwe naam Koevering in plaats van Meierijstad zou worden. In Sint-Oedenrode wonen ook nog een aantal families met die achternaam. Hetzelfde geldt voor Veghel en Schijndel. Op de Koevering zelf staat nog wel een boerderij die naar deze bisschop is genoemd, de Gijsbertushoeve. Gijsbert was de oudste zoon uit een gezin met vijf kinderen van Peter Gijsbert Leonisz. Coeverrinck (Coeverincx) en Genoveva Jan Lamberts van Breugel (Brogel). Gijsbert is gestorven in 1613 op 74-jarige leeftijd, een voor die tijd zeer eerbiedwaardige ouderdom. De informatie op het straatnaambordje dat hij pas in 1639 overleed en dus een eeuweling was, wordt in geen enkele bron bevestigd en lijkt dan ook een foutje. Hij werd in de Bossche Sint-Jan begraven. Hoewel zijn testament vermeldde dat hij onder een eenvoudige steen vlak bij zijn moeder die ook in de Sint Jan haar graf had begraven wilde worden, is daar om onbekende redenen geen gevolg aan gegeven. Hij kreeg zijn laatste rustplaats namelijk in een pontificaal graf op het hoogkoor. Echter niet voor lang, want al in 1658 moest hij van het inmiddels protestantse stadsbestuur plaatsmaken voor de gouverneur van Den Bosch Johan van Wijnbergen. Het is onbekend waar zijn grafsteen gebleven is. De grafsteen van drie van zijn familieleden waaronder de bij hem inwonende moeder en twee zussen en de dochter van een van hen, is er nog wel. Op het graf staat het familiewapen. Op deze grafsteen staat o.a.: ‘Begrafenis Genoveva van Brogel weduwe wijlen Peter Gijsbrechts van Couvering, sterf den 8 september 1592, ende Peterken, Haer dochter, sterf den 8 july 1572; …’
Een ontwikkeld man met vele kerkelijke functies
Gijsbert kreeg een gedegen opleiding tot priester. Hij studeerde als jongetje aan de kapittelschool in Den Bosch en was in de kost in het daarbij behorende fratershuis. Daarna vervolgde hij zijn opleiding in Leuven waar hij zich bekwaamde in de ‘artes liberales’ (de vrije, schone kunsten, zeven vakken waaronder grammatica, muziek en astronomie) en hij uiteraard ook theologie studeerde. Ook studeerde hij nog meer dan acht jaar aan het zogenaamde ‘Paus-college’. Dit college was in 1523 gesticht door Adrianus VI, de enige Nederlandse paus ooit. Hier behaalde Gijsbert een licentiaat (academische titel vergelijkbaar met de vroegere doctorandus- of huidige mastertitel) in de H. Godgeleerdheid.
Als priester was hij bijna zijn hele leven werkzaam in het pas opgerichte (1559) bisdom Den Bosch. Hij werkte als deken in Oss, als aartsdiaken (vervanger van de bisschop), professor aan het seminarie van Laurentius Metsius de tweede bisschop van Den Bosch. Hij was ook kanunnik en deken van het Bossche kathedrale kapittel en censor librorum. In deze laatste functie keurde hij namens de kerkelijke overheid boeken. Indien een boek volgens hem geschikt was om gelezen te worden door katholieken kreeg het van hem namens de bisschop het stempel ‘nihil obstat’. Er staat dan niets in dat strijdig is met de katholieke leer. Deze boekenkeuring heeft tot in de tweede helft van de vorige eeuw gefunctioneerd.
foto 2 en 3 plus onderschift
Gijsbert schreef ook zelf diverse boeken en verhandelingen. Er zijn zelfs meer dan tweeduizend dubbelzijdig beschreven foliovellen van hem bewaard gebleven. Hij was een voor die tijd modern katholiek die streed tegen de misstanden en extravagantie in de katholieke kerk, de zogeheten Contrareformatie. De priesteropleidingen moesten verbeterd worden en geestelijken moesten zich weer in de eerste plaats om de zielzorg bekommeren en eenvoudiger gaan leven. Geestelijke ambten mochten niet langer gekocht kunnen worden en er moest een einde gemaakt worden aan de priesterhuwelijken, de corruptie, het verwaarlozen van kerkelijke plichten, het geld uit de zak kloppen van gelovigen etc. Kortom, alles wat voeding gaf aan de opkomst van het protestantisme en het corrumperen van de het katholicisme moest bestreden worden. Gijsbert schreef hier menige verhandeling over en benoemde ook het onrecht zoals dat bijv. de goedwillende geestelijken in Roermond werd aangedaan. Hij schreef vol passie over deze paters die hij martelaren voor het geloof noemde want in de Tachtigjarige Oorlog ’sloegen zij den Eerw. Pater Prior vreeselijk op het hoofd, en verwondden hem, hieuwen hem een oor en een groot gedeelte van zijn slapen af, en staken hem vervolgens met een zwaard in de zijde, zoodat hij door de vele wonden stierf; daarna slachtten zij als het ware op vreeselijke wijze dengene, die koster en kok was, en eindelijk den ouden grijsaard Pater Arnoldus, die steeds voor alle zieken een zoo goede geneesheer en apotheker was. Met woedende woorden toch grepen zij dezen grijsaard aan, en eischten van hem zijn geld. Hij telde hun als prijs voor zijne verlossing 100 daalders neer; maar nauwelijks hadden zij dit geld in hunne handen, of tegen alle krijgsmanswoord in, trekken zij hunne zwaarden, werpen hem ter aarde en vermoorden hem zoo onmenschelijk mogelijk.’
In 1578 werd hij lid van het nog steeds bestaande Illustere Lieve Vrouwe Broederschap in Den Bosch. Van dit broederschap waarvan de leden Zwanenbroeders genoemd worden, waren en zijn ook de Oranjes – tegenwoordig Willem-Alexander- lid.
Enkele dagen voor zijn dood op 23 september 1613 maakte hij zijn testament op, hij was toen nog steeds in functie als kapitteldeken. Hieruit, maar ook uit het getuigenis van een kanunnik, blijkt dat hij niet alleen een ontwikkeld man was – hij liet een bibliotheek vol handschriften en boeken na – maar ook ijverig, nederig, vroom en eenvoudig. Zo wilde hij niet alleen een simpele grafsteen, maar hij stichtte ook een fonds voor studiebeurzen. Er is, mogelijk ook een teken van eenvoud, geen schilderij of afbeelding van hem bekend hoewel hij toch bij de toenmalige elite behoorde. Zijn persoon werd als volgt beschreven: ‘Hij was nederig en openhartig van gemoed, bezat een sterk geheugen en had een zekere bevalligheid onder het spreken.’
Bisschop, maar niet gewijd
In 1589, midden in de Tachtigjarige Oorlog, benoemde de Spaanse koning Philips II Gijsbert Coeverinx tot bisschop van Deventer. Hij had niet zoveel zin in die post, aarzelde een tijdje of hij de benoeming aan zou nemen maar berustte er uiteindelijk in en aanvaardde de benoeming. Maar voordat alle officiële stukken door Rome waren goedgekeurd zodat hij gewijd kon worden, viel in 1590 Deventer in handen van de troepen van de protestante Staatse opstandelingen. De wijding tot bisschop van Deventer kon toen niet doorgaan, hij is er zelfs nooit geweest. Gijsbert bleef in Den Bosch en bestuurde als kapittel-vicaris (plaatsvervanger van de bisschop), na de dood van de Bossche bisschop Crabeels in 1592, het bisdom en later bleef hij dit doen als rechterhand van diens opvolger bisschop Masius. Gijsbert had al wel een wapen als bisschop van Deventer en voerde dit ook.
foto 4
foto 5
Tot slot
Net zozeer als het woord ‘laan’ in Coeveringslaan genuanceerd moet worden, dient de uitleg op het straatnaambordje ook genuanceerd worden. Gijsbertus Coeverincx of Coeverink, op het straatnaambordje Geisbertus Koevering genoemd, stierf niet in 1639 maar in 1613. Bij de bisschoppen van Roermond komt zijn naam niet voor, deze titel lijkt dan ook niet te kloppen en hoewel hij wel benoemd is tot bisschop van Deventer is hij nooit als zodanig gewijd, hij is zelfs nooit als bisschop in die plaats geweest.
Door: Heemkundige Kring 'De Oude Vrijheid', werkgroep geschiedenis
Contact: secretariaat@oudevrijheid.nl
Extra informatie op www.oudevrijheid.nl klik op ‘Publicaties’ en dan op Rooise Streken.



