Meer blauw op straat

Mijn eerste echte Levi’s was blauw, blue, bleu … en gemaakt van denim. Een katoenen stof die bekend stond om haar stevigheid en werd geweven met een witte draad en een blauwe die geverfd was met indigo kleurstof. In Frankrijk heette die kleur ‘bleu de Genès’. De naam van de met indigo geverfde broek werd in het Amerikaans verbasterd tot blue jeans.

Ik las over de kleine klinknagels die ter versteviging op de hoeken van de vijf zakken werden bevestigd. Levi Strauss en Jacob Davis kregen in 1893 het aangevraagde octrooi op dit ontwerp. Stoer vond ik het, dat het oorspronkelijk werkkleding was voor mijnwerkers en goudzoekers. De trend om het als alledaags kledingstuk te gaan dragen kwam later vanuit Amerika naar Europa overgewaaid. De spijkerbroek is wereldwijd het meest gedragen kledingstuk ooit geworden.

De mijne was het 501 type, rechte pijpen en wat hoog in de taille. Met mijn moeder ging ik in de stad een echte Levi's kopen. Die moest strak om je benen sluiten, dus zat ik een dag later bij een vriendin thuis tijden in het bad om de stof door en door nat te laten worden. Daarna moest ik de zon in om hem op de huid te drogen. Met hulp en veel sjorren en trekken lukte het om de broek weer uit te krijgen. Hij was heel stug geworden. Iedere keer dat ik hem aandeed was het net zo’n hels karwei. Zo’n blauwe spijkerbroek was meer dan een kledingstuk. Daarmee vertelde je dat je bij een bepaalde groep wilde horen. Zo werd je onderdeel van een cultuur van gelijkgestemden, de wat alternatieve en artistieke jeugd.

Wat jaren later, op reis met vrienden in het voormalig Joegoslavië, had ik een heel andere ervaring. Toen werd een spijkerbroek een manier om met de plaatselijke bevolking in contact te komen. In dat deel van Europa werden in de 70’er jaren westerse invloeden vooral geweerd.

Op een avond zaten we bijeen in een restaurantje aan zee. Ik zie de ober met nette zwarte broek en overhemd nog voor me. Bij het afrekenen duwde hij naast de rekening ook een in het Engels geschreven briefje in mijn hand. Hij vroeg ons om na sluitingstijd op hem te wachten aan de achterkant van het eethuis en vooral geen geluid te maken. Niemand mocht ons horen.

Eindelijk verscheen hij in een nogal afgedragen broek en shirt. Of we een spijkerbroek voor hem hadden. We waren even stil en overlegden toen fluisterend met elkaar. We vonden het een vreemde vraag. Wat doen we? De man bleef maar aandringen, waarop Kees ter plekke zijn spijkerbroek uittrok en die aan de ober gaf. De broek paste precies en we zagen het tot dan toe angstige gezicht ontspannen. Hij verraste ons met een grote glimlach. Het was duidelijk dat we iemand geweldig blij hadden gemaakt. Als dank mochten wij de volgende avond op zijn kosten komen eten. Iedereen gelukkig. Ik heb nog vaak teruggedacht aan deze bijzondere ontmoeting. Het was een schrijnend voorbeeld van de tegenstelling tussen Oost en West. Hier werd een spijkerbroek letterlijk en figuurlijk goud waard. Sinds die tijd heeft voor mij de slogan ‘meer blauw op straat', een nieuwe dimensie gekregen.

Nelleke Thijssen
Reageren? schrijvers@impesant.nl