Het zijn maar woorden
Het was een stel driftkikkers. Aardige driftkikkers, dat wel. Je had tenslotte ook van die dooie visjesvreters, die je nauwelijks hoorde, die zelfs te fatsoenlijk waren om te smakken. Ze hoorde nog hun gekijf en geruzie. Het leidde nergens toe. Niemand kreeg zijn gelijk, maar iedereen had zijn zegje weer eens gezegd.
Als het weer ontplofte, kwamen alle ouwe koeien voor de zoveelste keer uit de sloot. Herkauwers. Behalve driftkikkers waren ze dat ook. Dat vooral. Kijk, zo kon je de vele ruzies thuis ook beschrijven, dan waren de scherpe kantjes eraf en werd het lachwekkend. Dan deed het niet zo'n pijn. 'Schelden doet geen pijn,' zei haar vader altijd. Ze dacht dat hij dan wel nooit uitgescholden zou zijn, maar dat was niet waar, want gisteravond had ze haar moeder nog tegen hem tekeer horen gaan: 'Idioot, wat een ongelooflijk stomme zak ben jij. Ik doe je nog eens wat.' Vooral dat laatste maakte haar bang. Wat dan? Wat zou haar moeder doen? Slaan? Van al die andere mogelijkheden had ze de hele nacht niet kunnen slapen. Ze had liggen luisteren of ze de bestekla in de keuken hoorde schuiven, of dat ze iemand in de gereedschapskist hoorde rommelen. Er was niks gebeurd. Maar je wist nooit zeker of er zich toch niet iets zou voordoen. Je wist het gewoon niet. 'Ik doe je nog eens wat.' Dat klinkt toch doodeng?
De volgende ochtend was het stil aan de ontbijttafel. Niemand zei een woord. Alsof dat geen pijn deed. Daar kreeg je pas echt buikpijn van. Het drong niet direct tot haar door, maar ineens hoorde ze haar broer binnensmonds tegen haar schelden en zag ze dat hij driftig naar de kaasdoos zat te wijzen. Haastig had ze die zijn kant op geschoven. 'Alsjeblieft,' had ze beleefd gezegd, zoals ze geleerd had. Daar lette nu niemand op. Opvoedkundige zaken konden wachten. Iedereen was nog vol van de ruzie van gisteravond. Zouden ze spijt hebben van de lelijke woorden die er waren gezegd? Hadden ze berouw over de vloekwoorden? Iedereen moest straks naar zijn werk of naar school. Zouden ze het er daar met iemand over hebben? Nee, dat deed ze zelf toch ook niet?
Op het schoolplein botst ze bijna tegen haar beste vriendinnetje op. 'Hé, waar ben jij met je gedachten? We zouden vanmorgen eerder komen, dan konden we nog even knikkeren.' 'O, wat stom.' 'Ach, niet erg, hoor, want ik ben mijn knikkerzak ook vergeten. Het was bij ons thuis gisteren één en al ellende. Mijn vader en moeder hadden knallende ruzie. Mijn vader is zelfs woest de deur uitgelopen. Het zijn zulke opgewonden standjes bij ons. Even later was hij weer terug, hoor, kuste mijn moeder en zei sorry tegen ons. Zo is mijn pa. Bij jullie thuis gebeurt zoiets volgens mij nooit, bij jullie is het altijd zo keurig. Maar mijn vader zegt: "Kijk uit, want stille waters, hebben diepe gronden." Dat kan ik me niet voorstellen. Ik heb bij jullie nog nooit iemand een lelijk woord horen zeggen. Zeg, morgen is het zaterdag, dan gaan we voor straf de hele middag knikkeren, omdat we er vandaag allebei niet aan gedacht hadden.' Ze haakt haar arm giechelend in die van haar vriendin.
Of ze het nooit zou vragen: 'Waarom was jij het eigenlijk vergeten, van dat knikkeren?'
Emmy van Haastrecht. Reageren? schrijvers@impesant.nl