
Na de brand kwamen de Damianen
Sint-Oedenrode – In de 32e editie van Rooise Streken een groot verhaal van de Damianen die jaren naar Rooi kwamen. De rest is geschiedenis en dat wordt hier omschreven.
Het jaar van het Brabantse Kloosterleven
Het jaar 2021 is door de Provincie Noord-Brabant uitgeroepen tot Brabants Kloosterjaar. De directe aanleiding hiervoor is dat dit jaar de stichting herdacht wordt van vier jubilerende en eeuwenoude Brabantse kloosterorde te weten de Kruisheren 650 jaar, de Clarissen 550 jaar, de Norbertinessen 750 jaar en de Norbertijnen 900 jaar. In Sint-Oedenrode hebben of hadden deze ordes geen klooster maar er waren hier wel vier andere kloosterordes vertegenwoordigd, namelijk de Zusters van Liefde 1888-1975, de Duitse Zusters 1876-1906, de Zusters Augustinessen 1801-1954 en de Paters van de H.H. Harten ofwel de Damianen 1921-2002. Deze laatste orde is tot voor kort in Sint-Oedenrode werkzaam geweest en hun klooster is ook bekend onder verschillende namen: Damianus-Stichting, Missiehuis Pater Damiaan en Damiaan-college. Dit jaar is het 100 jaar geleden dat zij hun oog lieten vallen op ons dorp en er grond voor de bouw van een klooster kochten. Hoewel het kloostercomplex pas drie jaar later in gebruik werd genomen is deze koop ook een soort jubileum.
100 gulden per hectare
10 maart 1921 was het precies een eeuw geleden dat de Paters van de Damianus-Stichting uit Grave een stuk grond van 18 ha (een hectare is 10.000 vierkante meter) kochten van de gemeente Sint-Oedenrode. Zij wilden hierop een nieuw klooster bouwen omdat hun klooster in Grave in de nacht van 13 op14 december 1920 door brand volledig verwoest was. In de koopacte gericht aan ‘den Heer Voorzitter van het Bestuur der Damianus-Stichting Grave te Simpelveld’ en getiteld ‘Verkoop heidegrond ten behoeve der Damianus-stichting’ staat dat de grond was ‘gelegen in de onmiddellijke nabijheid van den Provinciale Kunstweg St. Oedenrode-Schijndel, tegen den geringen prijs van EEN HONDERD GULDEN per H.A., terwijl de weg, die toegang geeft tot het perceel door U moet worden aangekocht voor DRIE HONDERD GULDEN. De verkoop geschiedt onder voorwaarde, dat door Uwe stichting alhier zal worden overgegaan tot den bouw van een klooster, alsmede onder voorwaarde dat Heeren Gedeputeerde Staten dezer Provincie den verkoop goedkeuren.’
Voorgeschiedenis
De Damianus-Stichting Grave was een missieschool van de Congregatie van de Paters der Heilige Harten. Deze congregatie werd in 1800 gesticht door de Franse priester Coudrin en groeide uit tot een actieve groep priesters en lekenbroeders die met name in Oceanië actief waren. De orde werd heel populair toen op 15 april 1889 Pater Damiaan, geboren als Jozef De Veuster op 3 januari 1840 in Tremelo, België, stierf als apostel en held van de melaatsen op het eiland Molokai in Hawaï. Hawaï was toen nog een zelfstandig koninkrijk, later kwam het onder Amerikaans bestuur en in 1959 is het de 50ste staat van de Verenigde Staten geworden. Melaatsheid, soms ook wel lepra genoemd, is een dodelijke besmettelijke infectieziekte, die vooral in de tropen voorkomt. Deze ziekte wordt veroorzaakt door een bacteriële infectie van de huid en de zenuwen. Melaatsheid heeft vaak tot groot sociaal isolement geleid want om besmetting te voorkomen zonderde men de door deze ziekte aangetaste personen af van de niet besmette bevolking. Melaatsen werd alle contact met de rest van de bevolking verboden. Zijn congregatie profiteerde van de populariteit van deze heldhaftige pater Damiaan die zijn eigen leven opgeofferd had door te werken tussen en voor deze melaatsen en in het Belgische Aarschot maar ook in Duitsland, Engeland en Nederland werden vanuit het geboorteland van de zo bewonderde pater missiescholen opgericht.
- foto 1 -
Het begint in Grave
Op donderdag 11 juni 1896 arriveerde in het Brabantse stadje Grave een groepje van 10 jongens, waaronder Jan van Heessel uit Sint-Oedenrode, onder leiding van de Belgische pater Willem de Boeck. Het waren leerlingen van de laagste klas van de missieschool in het Belgische Aarschot. Pater Jean Baptiste de Boeck uit Aarschot werd de eerste directeur van een Nederlandse dependance van die Belgische missieschool. Deze werd op vrijdag 12 jun 1896, op de feestdag van het Heilig Hart, plechtig geopend onder de naam Damianus-Stichting. De dependance, midden in Grave, was een oud bankgebouw, een ‘bank van lening’, dat in april 1895 was aangekocht door de congregatie, groot 14,25 are en werd ingericht als onderkomen voor een bescheiden aantal priesterstudenten. De studenten zouden slechts enkele jaren het onderwijs in Grave volgen, om dan, voldoende thuis in de Franse taal, hun verdere humaniora (Grieks, Latijn en klassieke literatuur) voort te zetten op de Belgische missieschool in Aarschot, waar in het Frans onderwijs werd gegeven. Ook de verdere studie, die de weg naar het priesterschap moest banen, werd in België gevolgd. De missieschool in Grave was aanvankelijk dan ook niet veel meer dan een voorbereidingsschool voor de school in België. De school in Grave beschikte dan ook maar over één leraar, een student in de theologie, die zijn studie enige tijd onderbrak om wat les te geven op de nieuwe missieschool. Daarnaast waren er een of twee broeders die de materiële kant van het bestaan verzorgden. Geen wonder dat de school, op z’n zachtst gezegd, de toets der kritiek nauwelijks kon doorstaan. Toch was er, ondanks het gebrek aan leerkrachten en studenten ook al een schooldirecteur. Die was echter zelden op school, hij was altijd op pad want zijn voornaamste taak was de voor de school benodigde financiële middelen te bemachtigen - de overheid betaalde immers geen cent voor dit soort onderwijs - en om nieuwe leerlingen te werven. Onder de volgende directeuren verbeterde de situatie wel iets maar niet veel. Na 1898 kwam er een nieuwe, voor die tijd riante vleugel aan het bestaande gebouw en in 1901 kwam er een tweede leraar-priester de school versterken. Later, in 1906, besloot men toch dat de school een volledige missieschool moest worden en de leerlingen een volledige middelbare schoolopleiding (kleinseminarie geheten) moesten krijgen. In het studieprogramma werd de nadruk gelegd op de vakken Frans en Latijn. Aan het Grieks en aan de moderne vreemde talen Engels en Duits werd nauwelijks aandacht besteed. Het vak Nederlands daarentegen werd weer degelijk gegeven. Godsdienst en geschiedenis namen ook een belangrijke plaats in op het lesrooster, maar de exacte vakken werden weer stiefmoederlijk bedeeld. Het gewone dagprogramma van lessen en studie-uren werd met een zekere regelmaat onderbroken door de leerlingen de gelegenheid te geven toneel te spelen of te musiceren, belangrijke elementen in de klassieke seminarieopvoeding. Toen tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914-1918 verdere studie in België onmogelijk was, kwam er ook een noviciaat (een soort proefperiode voor aanstaande religieuzen) en een scholastikaat (grootseminarie) bij waardoor binnen een paar jaar tijd een volledig Nederlandse priesteropleiding mogelijk was.
- foto 2 -
De brand
Pater Hieronymus Koolen was nog geen half jaar overste, toen in de nacht van 12 op 13 december 1920 een fatale brand de Damianus-Stichting in Grave volledig verwoestte. Op het moment van de brand telde de Damianus-Stichting een 15-tal paters, 4 broeders en 84 studenten De krant De Gelderlander berichtte over de brand op 21 december 1920: ‘Eenige uren na middernacht werd de brand ontdekt. Deze bleek niet ontstaan te zijn in de kapel maar in de klasse der rhetorica (welsprekendheid), de hoogste klassen, waar Maandagmiddag tusschen twee en drie uur de laatste les was gegeven. Hoe de brand nu juist ontstaan is kon niemand van de bewoners der stichting zeggen. Eerst tegen drieën in den morgen werd hij het eerst ontdekt door een der studenten, die in de loop van den dag wegens lichte ongesteldheid wat vroeger na bed was gegaan. De jonge student bleef slapeloos en hoorde wel wat gedruisch en gestippel, doch dacht aanvankelijk aan regen. Toen hij evenwel een ruit aan stukken hoorde rinkelen kreeg hij argwaan en kwam weldra tot de onaangename ontdekking dat er brand was uitgebroken in de kamer beneden de slaapzaal. Onmiddellijk waarschuwde hij den prefect van den dortoir (slaapzaal), deze wekte de jongens, die zich ijlings kleedden, zoo goed het ging. De overste, dadelijk gewekt en de dortoirs werden ijlings verlaten, langs de gebruikelijke binnentrap konden de studenten niet meer naar beneden komen; de vuurgloed woedde daaronder en verlieten via de noodtrap, die sinds ettelijke maanden in de nieuwen bouw was aangebracht, het pand. Er vielen geen gewonden. ’s Morgens om zeven uur lag het geheel in puin.’
De jongens werden voorlopig naar huis gestuurd. De paters en broeders vonden een onderkomen in een oud fabriekje, eigendom van de paters der Heilige Familie. Op oudejaarsavond van dat bewogen jaar 1920 kwam er een wel heel welkom bericht van de Duitse confraters uit Simpelveld. Zij boden hun klooster aan als voorlopig onderkomen.
- foto 3 -
Via Simpelveld komt Rooi in zicht
In het voorjaar van 1921 trok men met de hele school naar Simpelveld, daar werd driftig gewerkt aan een nieuwe toekomst. Diverse mogelijkheden werden bekeken, herbouw in Grave of nieuwbouw? Men vond de ruimte in Grave te klein voor verdere ontwikkelingen, dus werd er gekozen voor nieuwbouw. Er kwamen verschillende aanbiedingen binnen, die allen gewogen en te licht bevonden werden. Toen kwam er een briefje van een zekere De Leyer uit Sint-Oedenrode. Het terrein dat in die brief werd aangeduid, het landgebied Buitenrust langs de weg van Sint-Oedenrode naar Schijndel, viel tegen, maar dichtbij dat landgoed lag een groot stuk gemeentegrond, dat binnen twee weken publiek zou worden verkocht. De burgemeester, Jonkheer van Rijckevorsel, was bereid alle medewerking te verlenen. De bisschop van Den Bosch, Monseigneur Diepen, gaf in beginsel zijn toestemming. Het grootste probleem vormde de pastoor van de Martinusparochie, deken van Erp. Ook hij moest zijn fiat geven en bang dat hij inkomsten zou gaan missen deed hij dat uiteindelijk alleen onder voorwaarde dat er bij de nieuwe school geen openbare kapel zou komen en dat de paters niet zouden bedelen in zijn parochie. Op 10 maart 1921 werd toen de grond gekocht en men kon nu aan het werk. 22 augustus 1923 werd er de eerste heilige mis opgedragen en eind oktober van dat jaar kwamen de studenten. En op 8 juni 1924 werd het klooster officieel geopend en werd het complex als kleinseminarie in gebruik genomen. Later kwam er ook een kapel maar geen ‘openbare’, zoals aan pastoor-deken van Erp beloofd.
- foto 4 -
Door: Heemkundige Kring 'De Oude Vrijheid', werkgroep geschiedenis
Contact: secretariaat@oudevrijheid.nl
Extra informatie op www.oudevrijheid.nl klik op ‘Publicaties’ en dan op Rooise Streken.


