Hand in hand
Daar lopen José en Franka. In ons dorp zijn zij een bezienswaardigheid. De mensen praten erover, wijzen ze na en vragen ze het hemd van het lijf. José en Franka zijn een meisjestweeling. Het is jaren mijn grootste wens geweest om er eentje van een tweeling te zijn. Het liefst met een zus die dan sprekend op mij lijkt. Ik heb mijn moeder gevraagd hoe je een tweeling kunt worden. ‘Een tweeling kun je niet later in je leven worden, dat ben je al meteen als je geboren wordt,’ zei mijn moeder. Voor mij dus einde verhaal.
José en Franka woonden in onze straat, een stukje verderop. Ze liepen altijd hand in hand. Mijn zus wilde dat niet. Die hield van in haar eentje zwieren en heen en weer rennen. Hoe anders was dat bij de tweeling. Ze liepen bij iedere stap met dezelfde voet naar voren en zwaaiden tegelijk hun armen op en neer, met ineen gestrengelde vingers. Hun jurkjes waren blauw-wit gestreept, de sokken wit in blauwe schoentjes met bandjes. Hun blonde haar was in een pagekapsel geknipt. Dolgraag wilde ik vriendinnen worden. Na veel zeuren mocht ik komen spelen. Op die woensdagmiddag heb ik vooral voor het dressoir gestaan bij hun foto’s: net geboren met kale bolletjes, samen in de box en als dreumes en peuter. De mooiste foto was van de 1e Heilige Communie. Twee dezelfde bruidjes die met strakke lippen naar de fotograaf keken. ‘Hoe kan het dat ze als tweeling zijn geboren?’ vroeg ik. ‘Wat ben jij een brutaal kind,’ zei hun moeder en ze stuurde mij de deur uit.
In de klas zaten ze op de middelste bank voorin. Bij onze eerste schrijfles zag ik ze ook de pen in de linkerhand pakken. Net als bij mij kwam zuster Lidwina met de liniaal langs. Dan voelde het even of wij samen iets deelden. Van thuis spelen kwam het niet meer. ‘Dat mag niet van mamma,’ zeiden ze tegelijk.
Bij alle zusters en jufs mochten wij aan het begin van het schooljaar onze eigen plaats kiezen, maar in de zesde klas was dat verleden tijd. Aan de raamkant kwam een rij banken met meisjes die konden doorleren. In die rij kreeg ik een plek naast Franka. Voorin zat José plotseling in haar eentje. Franka slaagde glansrijk voor het toelatingsexamen van de HBS voor mij werd het de MULO. José ging, net als de meeste meisjes uit de klas, naar de Huishoudschool.
Ik verloor Franka en José uit het oog. Het zou twintig jaar duren voordat ik ze terugzag op de reünie voor de zesdeklassers uit 1960. Daar hoorde ik het levensverhaal van de twee zussen. Franka, in strak mantelpakje en met hoge pumps, had rechten gestudeerd in Amsterdam en werkte bij een vooraanstaand advocatenkantoor in de hoofdstad. Voor de liefde en kinderen was er tot dan toe geen tijd geweest. Toen José met haar fotoalbum naast me schoof, vertelde ze stralend bij de plaatjes van haar man en hun vier kinderen. ‘Ik ben moeder en huisvrouw,’ zei ze. ‘Ik ben gelukkig met mijn leven.’ Op die middag werd mij voor eens en voor altijd duidelijk dat ieder mens een eigen pad heeft te volgen. Mensen gaan niet hand in hand dezelfde lange weg. Zelfs als je een tweeling bent, moet je de hand die je zo vertrouwd is, loslaten.
Nelleke Thijssen
Reageren?
schrijvers@impesant.nl