PLEK 1 Het enige dat nog aan het klooster Mariëndael in Diest herinnert is dit medaillon. Het hangt zelfs nu nog boven de  ingang van het bestuurscentrum.
PLEK 1 Het enige dat nog aan het klooster Mariëndael in Diest herinnert is dit medaillon. Het hangt zelfs nu nog boven de ingang van het bestuurscentrum.

ROOISE STREKEN 4: VAN LERARES TOT 'TRALIENON'

Augustinessen op Dommelrode.
Eerste 'stiekeme' klooster in Nederland na de Tachtigjarige Oorlog in Sint-Oedenrode.

In 1796 verdreven de Franse revolutionairen de 'tralienonnen', zusters Augustinessen, uit Diest. Zij vestigden zich, na een vijfjarig verblijf in Eersel en daarna 18 jaar in Henkenshage, in 1819 op Slot Dommelrode. De nonnen bleven lang de hoop koesteren nog eens naar hun klooster in Diest te kunnen terugkeren. In 1816 componeerden en zongen zij nog:
"Dat WY hopen, dat WY wenschen
dat gy nog eens allemaal,
eer uw leeftijd mag verslenssen
wederkeert in Mariëndael.
O. Mocht Priorinne Lemmens
haer eerwaardig overschot
zoo als priorinne Cokens
bracht, weerbrengen in het Slot"

Echter na het verdrijven van de Fransen werd in 1815 het Verenigd Koninkrijk (Nederland en België werden één land) opgericht onder Koning Willem I. Hij zette de Franse politiek ten opzichte van de kloosters voort. Zij waren niet gewenst. Er kwam weliswaar geen totaalverbod maar er werd een soort 'uitstervingspolitiek' gevoerd: de kloosters mochten geen novicen aannemen en men mocht zich niet in religieuze kleding op straat vertonen. Daarmee vervloog de hoop op terugkeer naar Diest. De zusters - er waren nog 13 Belgische religieuzen over - richtten zich nu geheel op hun verblijf in Rooi en stippelden daar hun toekomst uit. Uiteraard zal ook wel mee geholpen hebben dat er zich veel postulanten - potentiële religieuzen - meldden uit Sint-Oedenrode en omgeving. De eerste Rooise die, uiteraard in het geheim – toegelaten werd was Francisca van de Meerakker. In 1818 waren er al 3 kandidaten en in 1819 zelfs 10. Het waren zogenaamd geen nonnen maar 'een gezelschap jonge dames die werkten in het onderwijs'. Hier kon de overheid immers niets tegen hebben.

PLEK 1

De lust en de zin om uit Rooi terug naar Diest te gaan werd dus met de tijd steeds minder. Dommelrode werd met behulp van een rijke Bossche weldoener, aannemer G. van Son, door een stroman voor de zusters gekocht. De overheid kon zo om de tuin geleid worden. Mede door de welwillende ' blindheid en onwetendheid' van de Rooise autoriteiten én de bevolking, maar natuurlijk ook door eenzelfde zogenaamde 'onnozelheid' van het Brabantse wereldlijke en kerkelijke gezag én door de bescherming van een aantal vooraanstaande burgers en weldoeners, heeft het kunnen gebeuren dat in Sint-Oedenrode het eerste klooster in Nederland sinds de Reformatie (16e eeuw) gesticht werd.

Slot Dommelrode 'een welingerichte heeren huizinge' en 'neerhuizinge'
Wegens plaatsgebrek op Henkenshage, maar ook omdat de nonnen een pensionaat wilden beginnen en omdat het dorpsschooltje uit de kluiten aan het groeien was, of zoals de zusters zelf zeiden ''door het aangroyen van onze gemeynte en ook van de school, die opgekrot was van de kinderen'' werd Dommelrode gekocht. Het slot was eigendom van Gerard de Jong. Hij was in Sint-Oedenrode secretaris en burgemeester geweest maar naar Den Bosch verhuisd omdat hij daar een aanstelling als rechter gekregen had. Volgens de advertentie werd gekocht:

''Een welingerichte heeren huizinge (…) bestaande in verscheiden groote behangen zoo beneden als Kamers, Kabinetjes, Keukens, Kelders en andere gemakken; met eene welgebouwde neerhuizinge, voorzien van tuinmanswoning, remise, koei en paardenstal voor zes paarden, mangelkamer en keuken, op zichzelf staande duivenvlucht, aangelegen tuinen, voorzien van de beste vruchtboomen en vischrijke vijvers, alle omgeven met grachten. Engelsche boschje, aangename dreven, teelland en houtwassen, groot te zamen ruim vijf hollandsche morgentalen (4,25 hectare)''

Dit alles werd verworven voor de geringe somma van 8491 gulden. En 'dat was een schoon en goede gelegenthijd voor de nonnen'. volgens de algemene opinie in Rooi. De grond van het klooster werd nog vermeerderd door aankoop voor 750 gulden in 1824 van een hectare bouwland en houtwas genaamd de Hoge Weide. Ook werd de Koppenbeemde in 1826 gekocht voor 353 gulden. Zo hadden de zusters een eigen boerderij en konden zij grotendeels in eigen behoeftes voorzien. Bovendien konden zij op deze manier beter voor de overheid verbergen dat zij 'religieuzen' waren.
Als de wiedeweerga begonnen de zusters het pand te verbouwen voor hun doeleinden. Zo voorzagen ze het o.a. van cellen, maakten ruimte voor een dorpsschooltje en bouwden een pensionaat. Dit ging al in 1819 open. De zusters schrijven hierover in hun kloosterkroniek o.a.: '' Seffens begosten wij ons volk in werck te stellen om de groote bovenkamers te veranderen in kleine kamers of cellekens voor de gemeynte en maecten er, nog sonder groote kosten, eenen completen dormter van: beneden was er weynige verandering noodig, want alles viel wel mede tot ons gerief. Ook vonden wy er een groote en welgelegen plaets voor de school: daer de kinderen van buyten de poorte konden in- en uytgaen.(…)''
Het schooltje voor de arme dorpelingen, ook wel 'Hollandsche school' of 'buitenschool' geheten, was op Henkenshage al een groot succes. Dit bleef op Dommelrode ook zo Hoewel Rooi toen nog maar ongeveer 3000 inwoners telde en er geen leerplicht was. kwamen er op een gegeven moment zelfs meer dan 400 kinderen op af.

Pensionaat voor 'Jonge Jufvrouwen'
Het pensionaat was bedoeld voor jongedames van de betere standen. Het waren er nooit meer dan 30 en ze kwamen uit heel Nederland maar vooral uit het Bossche. In een wervingsbrochure stond o.a.: "Franse kostschool voor Jonge Jufvrouwen, tec St. Ode Rode, (…) De Roomsche algemeene godsdienst zal het hoofddoel der gansche opvoeding wezen. De jonge Jufvrouwen zullen onderwijs bekomen in Fransche Taal, Rekenkonst, Brieven stijl, Naaien, Stoppen, Breyen, Mazen en Borduren

Kostgeld 160 per jaar''
Door onderwijs te geven en zich dus voor te doen als instelling van algemeen nut konden de nonnen zich onttrekken aan de anti-klerikale maatregelen van de overheid. Niemand legde hen een strobreed in de weg. Hoewel… het riep ook jaloezie op van concurrent-onderwijsgevenden. Met als gevolg dat ''neydige tongen'' beweerden dat de nonnen niet bekwaam waren en schoolopzichters op hen af lieten sturen. Soms liep dit goed af en af en toe moesten nonnen een proeve van bekwaamheid in de vorm van een examen doen. Maar het ging ook wel eens verkeerd. In 1826 verbood een schoolopzichter de 'meesteressen', omdat ze onbekwaam zouden zijn, de kinderen van de buitenschool het ´leeren van lezen, schreyven en ceyferen´. Alleen 'handwerck' aanleren mocht nog. De nonnen trokken zich er niks van aan. Ze gingen gewoon door en gaven de kinderen ook nog les in ´de christelijke leering´.

PLEK 2

De zusters keren terug naar 'het slot' oftewel 'de clausuur': 'tralienonnen'
Koning Willem II (1840-1849) werkte de katholieken niet meer zo tegen als zijn vader. Hij kon zich dat ook permitteren want de katholieken waren in ons land, na de afscheiding van België, niet meer in de meerderheid (was70%). Zij (nu nog 40%) vormden in het nog steeds protestantse Nederland geen groot gevaar meer. Zo werd o.a. het novicenverbod door hem afgeschaft. En toen in 1848 de liberale grondwet van Thorbecke de laatste beperkingen voor de katholieken ophief en dit in een wet onder zijn opvolger Koning Willem III in 1853 geformaliseerd werd, besloten de Rooise religieuzen in 1855 terug te keren naar 'het slot'. Zij werden weer een van de buitenwereld afgesloten contemplatieve orde: 'tralienonnen'.
Om dit 'slot' gestalte te geven werd Dommelrode weer verbouwd zodat het klooster geheel werd afgescheiden van de buitenwereld. Op een aantal plaatsen werden ook tralies aangebracht. Een restant hiervan is nog te zien in het huidige Dommelrode bij - onbedoelde symboliek?- de trouwzaal. Het meisjespensionaat werd opgeheven.
Het slot oftewel de clausuur werd alleen nog verbroken voor de dorpsschool. Maar toen in 1876 een andere kloosterorde - de Duitse zusters - in Rooi het onderwijs konden overnemen hielden zij op met het onderricht – behalve het catechismusonderwijs - aan de Rooise jongens. De Rooise meisjes kregen behalve catechismusonderwijs ook nog 'handwerkonderwijs' van hen totdat de zusters van Schijndel dit van hen overnamen. Dat was in 1917. Toen kwam de gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs. Katholieke scholen namen toen hun onderwijstaak geheel over en het slot oftewel de clausuur werd daarna volledig voor de nonnen.

PLEK 3

'Ora et labora': 'bid en werk'
De religieuzen die in clausuur achter de tralies leefden kwamen in principe niet buiten het klooster. Zij waren volledig afgezonderd van de buitenwereld en zelfs als hun familie op bezoek kwam was er altijd het tralievenster dat hen van elkaar scheidde. Alleen in de slotkapel zagen zij – ook daar afgescheiden van de Rooise bevolking - tijdens het 'nonnenlof' mensen van buiten het klooster. En uiteraard gingen zij bij een man, een geestelijke, te biecht en was een priester de voorganger in de mis.
Hun leven bestond vooral uit veel 'ora' en een beetje 'labora'. Dat kon ook bijna niet anders want in een vaste regelmaat – om de paar uur - gingen zij dag en nacht naar de kapel om te bidden. Deze 'getijdengebeden' werden aangeduid als de metten, lauden, priem, terts, sext, none, vespers en completen. Zo stonden ze middernacht op voor het nachtkoor. Daarna volgde een bezoek aan het Allerheiligste. Ze mochten dan even naar bed om een paar uur later en daarna weer 'bij het kraaien van de haan' zich naar de kapel te begeven. Het nachtkoor werd alleen in de Eerste Wereldoorlog overgeslagen vanwege ….een gebrek aan petroleum voor de lampen.
Behalve met deze gebeden hielden zij zich twee keer per dag bezig met mediteren, deden zij elke dag aan gewetensonderzoek, hielden geestelijke lezingen, baden de kruisweg, namen deel aan retraites,deden gebeds- en bezinningsoefeningen (recollectie), baden regelmatig het veertigurengebed en bezochten geregeld het 'nonnenlof'. En als vanzelfsprekend hielden zij zich ook aan allerlei kloosterregels zoals zwijgen tijdens de maaltijd en een vleesloos vasten tijdens de veertigdagentijd vóór Pasen en de Advent (vier weken vóór Kerstmis).

PLEK 4

De contacten met de buitenwereld liepen veelal via de boven hen gestelde mannen, zoals priesters, rectoren, bisschoppen en hun plaatsvervangers, etc. Toch waren zij geen doetjes en luisterden zij niet altijd naar hun gebieders en raadgevers. Anders zou hun steun en toeverlaat op financieel gebied, de Bosschenaar J.B. van Son, niet aan de arcaria (geldbeheerder van het klooster) zuster Colette eens geschreven hebben: ''Jans! Moet ik je in het Spaans schrijven? Doe wat ik zeg of loop anders naar je grootje…' ' Jans en Colette zijn uiteraard dezelfde persoon: ze was als Jans geborenen zuster Colette was haar kloosternaam.

Na anderhalve eeuw weg uit Rooi
In 1954 vertrokken de nonnen uit Sint-Oedenrode. Zij concentreerden de afnemende aantallen zusters uit heel Nederland in Deursen bij Ravenstein. Slot Dommelrode werd voor 165.000 gulden verkocht aan de gemeente die het tot gemeentehuis verbouwde. De zusters, 28 in getal, verlieten Rooi per bus. Deze was voor dat doel geheel geblindeerd. De religieuzen hadden immers 'het wereldse' de rug toegekeerd. Er was slechts één concessie gedaan aan de blindering: de voorruit ontsnapte hieraan! De laatste Rooise priorin (van 1952 tot 1954), Magdalena Wismans stapte overigens in een taxi. Verschil moet er zijn!

PLEK 5

Door: Heemkundige Kring 'De Oude Vrijheid', werkgroep geschiedenis
Contact:
secretariaat@oudevrijheid.nl

PLEK 2 Slot Dommelrode als klooster: een heel verschil met het huidige ‘bestuurscentrum’.
PLEK 3 De slotzusters in Rooi: ‘tralienonnen’. Op het hoogtepunt in 1891 waren er 48 zusters. Toen het Rooise klooster in 1954 opgeheven werd waren er nog 28.
PLEK 4 Tijdens de maaltijd mocht niet gesproken worden.
Plek 5 Vertrek uit Sint-Oedenrode in 1954. De zusters gaan met een geblindeerde bus . De laatste Rooise priorin, Magdalena Wismans, neemt de taxi.